Hoofdstuk 5 — Welkom in Mistvoorde
Vorige · Verder lezen →
Deel II — Mistvoorde en Pakhuis 12B

Naar Mistvoorde
Van alle mogelijke richtingen koos de groep voor Mistvoorde, de ruige handelsstad aan de rivier waar soldaten, reizigers, handelaren, smokkelaars en geruchten samenkwamen. Als er ergens meer te horen was over Ravenburgse bewegingen en vreemde ladingen, dan was het daar.
Boris Kegbelly hoorde hen over Mistvoorde spreken en gaf meteen advies. Ze moesten naar Brom Kletsmaag in De Scheve Ton gaan, een oude vriend van Boris die hen onder zijn dak veilig zou houden. Maar toen Sollorva om meer advies vroeg, werd Boris serieuzer. Mistvoorde was geen vriendelijke handelsstad, zei hij, maar een louche plek waar iedereen vooral aan zichzelf dacht. In Mistvoorde moest je voorzichtig zijn met wie je aansprak, wat je liet zien en wie je vertrouwde.
Voor vertrek bood Althea Naïlo de groep rijdieren van Wilgenbroek aan, zolang ze goed voor de dieren zouden zorgen. Bij de stallen koos Sollorva een donker Fries paard en noemde haar Seraphine. Eun-Jae koos een bruin paard met lichte manen en noemde hem Chestnut. Kael vond de paarden niet helemaal passend en koos uiteindelijk voor een bijzonder snelle ezel, terwijl Godwin zich meer aangetrokken voelde tot een dier dat net als hijzelf hoorns had: een sterke stier.
Zo verliet de groep Wilgenbroek op een nogal opvallende manier: twee paarden, een ezel en een stier trokken langs het beekje tussen de wortels, varens en het mos. Kael en Sollorva hadden hun dieren snel onder controle. Eun-Jae en Godwin hadden duidelijk meer moeite met rijden. Het heldere beekje werd onderweg breder, dieper en modderiger. Na ongeveer een uur verschenen rook, boten en het geroep van een drukke handelsstad in de verte.
Een stad zonder muren
Mistvoorde was geen stad van muren, poorten en nette wachters. Het was een warboel van kades, schepen, pontons, bruggen, marktkramen en pakhuizen die zich aan de rivier vastklampten alsof ze elk moment konden wegspoelen. Overal keken mensen. Vanaf scheepsdekken, tussen kramen en vanaf de modderige kades volgden ogen hun binnenkomst. De groep merkte al snel dat ze er veel te netjes uitzagen voor deze stad en begon hun kleding wat ruwer te maken en zichzelf met modder te besmeren, in de hoop iets minder op buitenstaanders te lijken.
Nog maar net in de stad werden ze aangesproken door een man die bescherming en veilige doorgang aanbood voor vijf goud. Kael probeerde te achterhalen voor wie hij werkte, maar de man noemde zichzelf vooral een ondernemer met contacten. Toen hij twee goud vroeg om hen simpelweg naar De Scheve Ton te wijzen, was Godwin daar klaar mee. Met zijn formaat en dreigende houding intimideerde hij de man genoeg om de informatie zonder betaling los te krijgen. De gids was duidelijk niet blij, maar wees hen uiteindelijk de weg.
Onderweg zag Eun-Jae een grote Ravenburgse boot liggen, strak en georganiseerd tussen de chaos van Mistvoorde. Er stonden academici, soldaten en een hoger geplaatste officier die met de havenmeester sprak. Op dat moment renden drie kinderen vanaf de richting van de boot weg, één van hen met een tas in de hand, terwijl een soldaat riep dat iemand die rotkinderen moest tegenhouden. De groep besloot niet in te grijpen. Ze waren net aangekomen, kenden de stad nog niet en wilden eerst Brom vinden.
De Scheve Ton deed zijn naam eer aan. De herberg stond zo scheef dat het gebouw zelf dronken leek, maar vanbinnen voelde het stevig, luid en levend. Achter de bar stond Brom Kletsmaag, breed, zwaar en vol energie. “Nieuwe gezichten,” riep hij. “Zijn jullie al bestolen of gaat dat nog gebeuren? Welkom in Mistvoorde!” Toen de groep vertelde dat Boris Kegbelly hen had gestuurd, zei hij dat vrienden van Boris veilig bij hem waren. Maar veiligheid en slaapplaatsen kostten wel geld.
Omdat drie goud per nacht voor de groep te duur was, stelde de groep voor een deal te maken met Brom voor gratis overnachting. Als zij met zijn kar twaalf vaten bier gingen ophalen bij de Hoge Huizen, mochten ze een nacht gratis blijven. Na wat onderhandelen, vooral door Kael, werd dat twee nachten. Brom gaf hun een zak goud mee, wees de weg en zei dat ze bij Vrouwe Marra moesten zijn. Chestnut en Seraphine werden voor de kar gespannen, terwijl de ezel en El Torro in de stal van de Scheve Ton werden geplaatst.
De rit door Mistvoorde liet meteen zien wat voor stad dit was. Onderweg zagen ze hoe een modderige, bebloede man door twee sterke mannen werd meegesleept terwijl hij bleef roepen dat hij betaald had. Niemand hielp hem. Hij werd naar een schandpaal gebracht, vastgezet en nog een trap gegeven voordat de mannen vertrokken. Mistvoorde keek toe, maar greep niet in.
Bij de Hoge Huizen zagen ze een andere kant van de stad: minder modder, betere gebouwen, bewaakte pakhuizen en Ravenburgse soldaten bij de ingang. Terwijl één soldaat Vrouwe Marra ging halen, bleef de ander bij de groep wachten. Sollorva besloot precies op dat moment zeer toegewijd in haar neus te peuteren, op zoek naar het beste snotje ooit. De soldaat probeerde weg te kijken, maar ontsnapte niet helemaal aan de ongemakkelijke vertoning. Gelukkig verscheen Vrouwe Marra snel daarna, strak, zakelijk en met weinig belangstelling voor praatjes.

De groep werd naar een pakhuis gebracht, waar de twaalf vaten met indrukwekkende efficiëntie op de kar werden geladen door twee medewerkers. Vrouwe Marra vroeg driehonderdvijftig goud, controleerde de betaling en maakte duidelijk dat ze het terrein daarna graag weer mochten verlaten. Op weg naar buiten hoorden ze twee werkers praten over de kinderen die iets van Ravenburg hadden gestolen. Het zou gaan om een tas of documentenkoffer. Toen ze om meer informatie vroegen, werd duidelijk dat de kinderen vaak zouden rondhangen bij de Modderkade, de plek waar de groep Mistvoorde was binnengekomen.
Onder de pier
De tas was blijkbaar belangrijk genoeg voor Ravenburg om er actief achteraan te zitten. De groep keerde terug naar De Scheve Ton, leverde de vaten af en zette de dieren op stal. Terwijl Kael, Godwin en Eun-Jae in de herberg bleven, veranderde Sollorva in een uil en vloog uit om de stad te verkennen.
Vanuit de lucht zag ze de opbouw van Mistvoorde duidelijker. De drukke Modderkade lag laag bij de rivier, de Hoge Huizen waren beter afgeschermd en verderop zag ze een drijvende markt van tenten, bootjes en kraampjes. Bij de Modderkade vloog ze lager, tot vlak boven het water en onder de steigers. Daar vond ze een donkere schuilplek waar meerdere kinderen in kleine kringetjes bij elkaar zaten, met slaapzakken en spullen om zich heen. Door het geluid van water en hout kon ze weinig verstaan, maar één zin hoorde ze duidelijk: “Waarom zijn zoveel mensen geïnteresseerd in die tas?”
Sollorva keerde terug en vertelde de groep wat ze had gezien. Hoewel het inmiddels donker was, sliep Mistvoorde nog lang niet. Mensen liepen door de straten, handelaren werkten nog door en de stad bleef rommelen alsof de nacht alleen maar een andere vorm van handel betekende. De groep ging richting de Modderkade, maar onderweg merkte Eun-Jae dat iemand hen volgde. Ongeveer vijfenveertig meter achter hen liep een persoon in een donkere cape en jas mee door de straten.
De groep splitste zich op. Kael en Sollorva gingen naar de kinderen onder de pier, terwijl Godwin en Eun-Jae richting de Modderkade zelf gingen om meer informatie te zoeken. Na de splitsing zag Eun-Jae dat de volger bij hem en Godwin bleef. Wat die persoon wilde, bleef onduidelijk, maar in Mistvoorde voelde toeval ineens erg onwaarschijnlijk.
Onder de pier vonden Kael en Sollorva de schuilplek van de kinderen. Een kind op wacht rende weg zodra ze dichterbij kwamen, en toen ze achter hem aan gingen, klonk uit het donker een stem: “Staan blijven, of de tas gaat in het water!” De twee stopten. Langzaam verschenen vijf kinderen uit de schaduw, wantrouwend, scherp en klaar om te vluchten. Een meisje hield iets achter haar rug en stond dicht bij het water. “Vertel wat je moet weten,” zei ze, “en wat ik eraan kan verdienen.”
Kael probeerde met goede bedoelingen het gesprek rustiger te maken en stelde voor om samen “real business” te bespreken in een kringetje met thee. Maar deze kinderen waren niet opgegroeid in een wereld waar volwassenen veilig waren. Terwijl Kael sprak, werd de tas snel doorgegeven en verder het donker in gebracht. De kinderen bleven gespannen staan, klaar om te verdwijnen zodra het nodig was.
Vorige · Verder lezen →