Sessie 6 — De Oogmoeder van Mistvoorde
← Vorige: Sessie 5 · Sessieoverzicht · Volgende: Sessie 7 →
Hoofdlocaties: De Modderkade · De Drijvende Markt · De Oogmoeders Tent
Belangrijke NPC’s: Mira · Maua Raukoro
In het kort
Terwijl Eun-Jae en Godwin de achtervolger probeerden te vangen, onderhandelden Kael en Sollorva met de straatkinderen. Alle sporen kwamen samen in de zwarte tent van Maua Raukoro, waar de groep voor het eerst Ravenburgse documenten over het Dennenhartse bos las.
Belangrijkste gebeurtenissen
- Eun-Jae en Godwin zetten een val voor de achtervolger, maar die doorzag hun eerste poging.
- Godwin lokte de havenmeester weg en gooide hem tijdens de afleiding tweemaal in de rivier.
- Eun-Jae vond havengegevens die een toename van Ravenburgse onderzoeksschepen lieten zien.
- Sollorva achtervolgde als havik het kind dat de tas naar de Drijvende Markt bracht.
- De groep ontmoette Maua Raukoro, die zichzelf De Oogmoeder noemde en de kinderen beschermde.
- Maua verwondde Eun-Jae toen hij dieper in haar gedachten probeerde te kijken en schreef zijn volledige naam op zonder dat hij die had genoemd.
- Voor dertig goud mocht de groep de drie documenten uit de tas kort bekijken.
Belangrijkste ontdekkingen
- Ravenburg registreerde herhaalde paarse ontladingen boven het Dennenhartse bos.
- Een kaart toonde meerdere magische anomalieën, met de grootste cirkel dicht bij Wilgenbroek en het label ‘bron onbekend’.
- Een bevel vroeg om tijdelijke meetkampen in het bos en versterking uit Ravens Piek.
- Maua is veel machtiger en beter geïnformeerd dan een gewone waarzegger.
Buit, aankopen en veranderingen
- De groep betaalde dertig goud om de documenten te bekijken.
- De tas en documenten bleven eigendom van Mira.
- Eun-Jae hield diepe klauwwonden over aan de ontmoeting.
Openstaande lijnen na deze sessie
- Hoe kent Maua Eun-Jaes volledige naam?
- Wie is de achtervolger?
- Hoe dicht ligt de grootste anomalie werkelijk bij Wilgenbroek?
- Wat wil Ravenburg met het meetkamp bereiken?
Hand-outs
Volledige recap
De lange versie
Hieronder staat de cinematische recap van de gespeelde sessie. De korte onderdelen hierboven zijn bedoeld om snel informatie terug te vinden.
Terwijl Kael en Sollorva onder de pier bij de kinderen waren, trokken Eun-Jae en Godwin verder door de straten van Mistvoorde. Ze zagen inmiddels dat ze nog steeds werden gevolgd, en in deze stad voelde dat niet als toeval. Na kort overleg besloten ze de achtervolger te misleiden. Ze versnelden plotseling, renden door de nauwe straten, langs kramen, vaten, natte houten palen en mensen die nauwelijks opzij gingen. Nog één keer keken ze achterom om te zien of de donkere figuur hen volgde, en toen schoten ze een hoek om, verscholen zich en maakten zich klaar om toe te slaan zodra hun achtervolger verscheen.
Ze wachtten in de schaduw, gespannen en klaar voor actie, terwijl Mistvoorde om hen heen gewoon bleef leven. Voetstappen kwamen en gingen, maar de persoon die hen gevolgd had kwam niet. De val die zij hadden gezet, was gezien of geroken. Of misschien was hun achtervolger simpelweg beter in dit spel dan zij gehoopt hadden.
Eun-Jae besloot nog één poging te doen. Met magie vormde hij een illusie van zichzelf en Godwin, alsof zij samen terugliepen richting de havenmeester bij de Modderkade. Zelf volgden ze stil en voorzichtig op afstand. Deze keer werkte het. Een paar meter verderop, zagen ze opnieuw de figuur in donkere kleding en een muts. De achtervolger bewoog met hen mee, duidelijk in de veronderstelling dat hij nog steeds Eun-Jae en Godwin volgde.
Eun-Jae kwam subtiel dichterbij, opende zijn geest en probeerde de oppervlakkige gedachten van de figuur te lezen. Aan de oppervlakte voelde hij geen paniek, maar een soort arrogantie. De achtervolger had hen onderschat, maar was er tegelijk van overtuigd dat zij niet slim genoeg waren geweest om hem echt te vangen. Er zat een zelfverzekerdheid in die niet paste bij een willekeurige straatrover. Toen Eun-Jae dieper probeerde te duwen, op zoek naar naam, doel of opdrachtgever, botste hij tegen weerstand. Niet alleen een instinctieve afweer, maar een stevige mentale muur die hem terug naar buiten drukte.
De achtervolger duwde hem naar buiten.
De donkere figuur keek snel om zich heen, begreep dat het niet klopte en zette het op een lopen. Eun-Jae en Godwin gingen erachteraan, door de chaotische straten van Mistvoorde, waar mensen, kisten, tonnen, kraampjes en touwen de achtervolging meteen moeilijk maakten. De figuur kreeg voorsprong en verdween uiteindelijk in de verte een steeg in. Godwin en Eun-Jae stopten. Ze hadden zelf net geprobeerd iemand in een val te lokken, en ze begrepen maar al te goed dat die steeg precies hetzelfde voor hen kon zijn. Ze besloten niet door te zetten.
Bij de Modderkade vonden ze al snel de hut waar waarschijnlijk de havenmeester verbleef. De man die hen ontving zag eruit alsof hij te lang had gewerkt, te weinig had geslapen en absoluut geen zin had in ingewikkelde verhalen. Godwin beweerde dat hij verderop iets verdachts had gezien bij een boot, alsof er een overval gaande was. Hij wist de man genoeg te overtuigen om mee te komen kijken, zodat Eun-Jae tijd kreeg om in de hut rond te zoeken.
Godwin leidde de havenmeester zo ver mogelijk langs de pier, richting een boot die ver genoeg weg lag om tijd te rekken. Toen ze daar aankwamen, was er natuurlijk niets te zien. Godwin hield vol dat hij mensen over de bovenkant had zien klimmen en deuren had zien openen. De havenmeester pakte zijn knuppel en sloeg een paar keer hard tegen de boot. “Laat je zien! Als er iets aan de hand is, stop er nu mee!” Achter een raampje schoof een gordijntje open en verscheen een man die duidelijk net wakker was gemaakt. Hij keek geïrriteerd naar buiten, zag niets wat zijn probleem waard was en verdween weer naar bed.
In een paniekpoging om nóg meer tijd te winnen, liet Godwin de havenmeester struikelen. De man viel recht de rivier in en kwam vloekend boven water, woedend omdat dit blijkbaar al de tweede keer was dat hij die dag een nat pak had gehaald. Hij greep naar de pier om zichzelf omhoog te trekken, en Godwin stak zijn handen uit alsof hij wilde helpen. Op het moment dat de havenmeester zijn handen stevig vastpakte en omhoog begon te klimmen, liet Godwin los. De man viel opnieuw het water in. Daarna wist Godwin dat de tijd echt op was, en rende hij terug naar Eun-Jae terwijl achter hem het gevloek van de havenmeester door de avond galmde, eindigend in een woedend: “Klootzak!”
Ondertussen ging Eun-Jae snel door de hut. Hij vond kaarten met vaarroutes en aanmeerplekken en verschillende notities over schepen die de laatste tijd waren binnengekomen. Vooral één patroon viel op: er was een duidelijke toename van Ravenburgse schepen die waren geclassificeerd als onderzoeksschepen. Ze bleven meestal één of twee dagen aangemeerd voordat ze teruggingen richting Het Ravenburgse Rijk. Dat betekende dat Ravenburg niet zomaar aanwezig was in Mistvoorde. Ze kwamen herhaaldelijk, gericht en met een onderzoeksdoel.
Terwijl Eun-Jae en Godwin hun informatie verzamelden, stonden Kael en Sollorva nog onder de pier bij de kinderen. Vijf kinderen hielden hen op afstand. Sommigen leken klaar om weg te rennen, anderen hielden hun handen dicht bij verborgen wapens, klaar om zichzelf te verdedigen. Het meisje dat de leiding leek te hebben, bleef scherp naar Kael kijken. “Vertel wat je wilt weten,” zei ze, “dan vertel ik je wat het kost.” Kael probeerde met vleierij informatie te krijgen over Ravenburg en beweerde niets te weten van de tas, maar het meisje geloofde niet dat hij niets van de tas wilde. Daarvoor waren er simpelweg te veel mensen in de stad ineens geïnteresseerd in dat pakket.
Terwijl Kael met haar sprak, zag Sollorva in het donker een kind wegrennen met het pakketje onder de arm. Ze reageerde direct, veranderde in een havik en vloog erachteraan. Het kind rende omhoog richting de bovenkant van de pier en daarna verder richting De Drijvende Markt. Sollorva kwam snel dichterbij en probeerde het pakketje met haar klauwen te grijpen, maar het kind hoorde haar aankomen en draaide het net op tijd achter haar lichaam weg. De achtervolging ging door, tot het kind onder het zwarte doek van een grote tent doorglipte.
Midden op de Drijvende Markt stond een volledig afgesloten zwarte tent, alleenstaand tussen de kraampjes, pontons en bootjes. De doeken waren diepzwart en zwaar, versierd met kralen, kruiden, botten en schedels op palen. Zelfs tussen de vreemde drukte van Mistvoorde voelde deze plek anders. Niet alleen louche of gevaarlijk, maar oud en onheilspellend, alsof mensen er wel langs liepen maar liever niet te lang in de buurt bleven.
Kael hoorde ondertussen van het meisje dat het pakketje nu veilig bij De Oogmoeder moest zijn. De aandacht van alle verschillende partijen maakte het pakket alleen maar waardevoller, en zij was van plan het morgen voor vijfenzeventig goud te verkopen. Kael zag een kans en bood honderd goud, als ze die avond naar De Scheve Ton zou komen om de deal te bespreken met zijn compagnons. Daar ging ze niet mee akkoord. Als ze wilden praten, dan gebeurde dat op haar voorwaarden, bij De Oogmoeder. Even later werd Kael omringd door zeven kinderen en begeleid richting de zwarte tent.
Eun-Jae en Godwin kwamen intussen bij de achterkant van de schuilplek van de kinderen aan. Daar zagen ze een havik vliegen, en omdat ze in deze hele chaos maar één vogel hadden gezien die zich verdacht nuttig gedroeg, legde Godwin snel de link dat dit waarschijnlijk Sollorva was. De havik landde op Eun-Jae’s schouder, en niet veel later kwamen ook Kael en de kinderen aan bij de zwarte tent. Sommige kinderen bleven duidelijk op afstand van de zwarte tent, alsof zelfs zij liever niet dichterbij kwamen dan nodig was. Het meisje stelde zich uiteindelijk voor als Mira en zei dat ze de deal konden bespreken met De Oogmoeder erbij. Daarna glipte ze naar binnen.
De groep volgde haar de tent in, met Sollorva nog steeds als havik op Eun-Jae’s schouder. Vanbinnen leek de tent groter dan aan de buitenkant mogelijk was. Overal hingen dezelfde vreemde versieringen: kralen, kruiden, botten en oude vodden. Achter een bureau lag wat eerst leek op een berg oude doeken en raggen. Toen Mira zei: “Nou, hier is De Oogmoeder,” begon die berg te bewegen.
Langzaam draaide een gedaante zich om. Ze was groot, gebogen en onnatuurlijk lang, met een rug die hoger uitstak dan haar hoofd. Vies, vettig zwart haar hing rond een oud wit masker, waarop twaalf kleine ogen los van elkaar knipperden en door de kamer keken. Onder dat masker verscheen een brede grijns met scherpe, vieze tanden die veel te ver open leek te kunnen. Haar armen waren te lang, haar handen knokkelig en gezwollen, en toen ze zich achter het bureau oprichtte, vulde haar aanwezigheid de hele tent. “Welkom… welkom,” klonk haar hese stem, gevolgd door een smerige giechel. “Wie zijn jullie en wat willen jullie?”
Kael stapte naar voren, stelde zichzelf voor en zei dat ze voor de tas kwamen. De Oogmoeder stelde zich officieel voor als Maua Raukoro, en maakte meteen duidelijk dat zij de kinderen beschermde. De tas was van Mira, en Mira besliste wat ermee gebeurde. Mira wilde inmiddels honderd goud. Maar omdat De Oogmoeder nu bij de zaak betrokken was, vond zij dat de groep haar ook iets verschuldigd was als zij met de tas wilden vertrekken. Kael reageerde verontwaardigd. Als De Oogmoeder beweerde dat ze alleen de kinderen beschermde, waarom wilde zij er dan zelf ook iets voor terug?
De Oogmoeder lachte opnieuw. “Ach,” zei ze, “ik wil helemaal geen goud. Ik wil gewoon iets kleins van jullie. Een klein geheimpje. Een plukje haar. Of een paar druppels bloed.”
De sfeer in de tent veranderde meteen. Kael voelde een echo van donkere energie die hem aan zijn verleden deed denken, al besefte hij dat dit iets anders was dan wat hij eerder had meegemaakt. Eun-Jae herkende uit oude boeken genoeg om te begrijpen dat ze met een bovennatuurlijke heks te maken hadden. Wezens zoals zij genoten vaak van pijn, leed en bindingen. Een stukje haar, bloed of een geheim was zelden symbolisch. Het kon een haak worden. Een levenslange connectie. Iets waarmee een heks later aan je lot kon trekken.
De groep werd meteen voorzichtiger. Eun-Jae vroeg of de inhoud van de tas al bekend was. De Oogmoeder pakte de tas op met haar lange vingers en scherpe nagels. De verzegeling zat nog op de koker; hij was niet geopend. Toch zei ze glimlachend dat ze de inhoud wel kende. Dat was genoeg voor Eun-Jae om opnieuw zijn geest te openen. Hij las haar oppervlakkige gedachten en voelde dat ze vastberaden was om de kinderen te beschermen en Mira te helpen met de deal. Maar Eun-Jae wilde meer. Hij wilde de informatie uit de tas, dus hij drukte dieper.
Deze keer werd dat bestraft.
De Oogmoeder merkte wat hij deed. Haar lach werd breder. Haar hand kwam langzaam van de tafel, eerst bijna loom, en schoot toen plotseling met angstaanjagende snelheid naar voren. Haar nagels trokken over Eun-Jae’s bovenlichaam, scheurden kleding open en lieten diepe krassen achter. De klap was zo krachtig dat Eun-Jae bijna onderuit ging. Sollorva vloog direct op van zijn schouder, veranderde terug in zichzelf en haastte zich naar hem toe om hem te helen.
De groep keek van Eun-Jae terug naar De Oogmoeder. Zij zat weer achter haar bureau, zacht giechelend, en keek bijna bewonderend naar het bloed onder haar nagels. Daarna pakte ze een stuk perkament. Zonder dat Eun-Jae in deze tent zijn naam had genoemd, schreef zij hem op. Niet alleen Eun-Jae. Ook zijn achternaam. Veyndor. De naam waarvan hij jaren geleden afstand had gedaan.
Even leek het alsof de groep zou aanvallen. Maar de kracht van De Oogmoeder was duidelijk geworden, en niemand wist hoeveel bloed zij nog bereid was te nemen. Eun-Jae, gewond en woedend, stelde uiteindelijk voor dat ze de tas niet hoefden te hebben, zolang ze de inhoud mochten weten. Mira reageerde snel dat de tas minder waard zou zijn als hij geopend werd. Uiteindelijk kwam er een nieuwe deal: voor dertig goud mochten ze de inhoud een paar minuten bekijken, waarna Mira de tas morgen nog steeds met verlaagde waarde kon verkopen.
Met tegenzin ging de groep akkoord. De Oogmoeder opende de tas en haalde drie documenten tevoorschijn, die ze zelf stevig vasthield. Eun-Jae keek snel en scherp, en vertelde de groep wat hij zag. Het eerste document beschreef paarse ontladingen en explosies boven het Dennenhartse bos, met een onregelmatige frequentie. Het tweede document droeg de titel “Magische anomalieën” en bevatte een kaart van het bos, waarop meerdere gebieden waren omcirkeld. De grootste cirkel stond akelig dicht bij Wilgenbroek, met daarbij de notitie: “bron onbekend.” Het derde document was een bevelbrief aan Ravens Piek: een voorstel voor een tijdelijk meetkamp in het Dennenhartse bos, met verzoek om versterking.
Daarmee werd duidelijk dat Ravenburg dichterbij was dan de groep had gehoopt. Ze onderzochten het bos niet vaag of op afstand; ze waren patronen aan het verzamelen, anomalieën aan het markeren en versterking aan het vragen. De koepel van Wilgenbroek was nog verborgen, maar de cirkel op de kaart lag al gevaarlijk dichtbij. En in Mistvoorde, onder de ogen van een kinderdief, een heks met twaalf ogen en een stad vol mensen die alles zouden verkopen als de prijs goed was, kreeg de groep eindelijk het bewijs dat hun probleem groter was dan één dorp.