Hoofdstuk 2 — De weg naar de Groene Putten

Vorige · Verder lezen

Deel I — De koepel van Wilgenbroek

De ochtend brak rustig aan in Wilgenbroek. Eun-Jae had zich beneden in De Dennenhartse Stronk genesteld met een kop koffie en een krant. Kael was nog eerder opgestaan en had in de stilte van zijn kamer gemediteerd, met kop na kop thee binnen handbereik. Sollorva nam na het ontwaken tijd voor een gebed aan Mielikki. De drie kenden elkaar nauwelijks en gingen voorzichtig met dat nieuwe gezelschap om. Uiteindelijk bracht de geur van versgebakken brood, bacon en warme thee hen aan één tafel bijeen. Kael en Sollorva kozen een vegetarisch ontbijt; Eun-Jae voedde zich vooral met koffie en kennis.

Terwijl zij daar zaten en spraken, beleefde Godwin boven een andere realiteit. Hij zat gevangen in een droom die niet nieuw was, maar wel intenser dan voorheen: een vlucht door een donker bos waar de lucht zwaar hing van vocht en rot, waar takken langs zijn lichaam sloegen en iets achter hem door de duisternis brak zonder zich volledig te tonen. Hij wist niet waar hij was, alleen dat hij moest blijven rennen en dat stilstaan geen optie was. De wereld leek even stil te vallen voordat hij wakker schrok. Bezweet en hijgend drong de realiteit van de herberg langzaam tot hem door. Zonder veel woorden nam hij zijn overgebleven kilo hertenvlees mee naar beneden, bestelde een liter bier en begon te eten.

Boris greep het moment aan om Godwin aan de anderen voor te stellen. Zo kwamen de vier voor het eerst werkelijk aan één tafel bijeen: verschillende zielen die ieder langs een eigen weg in Wilgenbroek waren beland. Hun kennismaking werd onderbroken toen de deur openging en een klein vosje naar binnen huppelde. Met zijn kop schuin bekeek het hen aandachtig. Daarna liep het recht op de tafel af, leverde een kokertje van zijn hals af en verdween weer even snel. In de brief van Niavara stond een dringende oproep. De voorbereidingen konden niet langer wachten. Als zij nog wilden helpen, moesten zij haar aan de rand van het bos opzoeken.

De koepel hapert

Op weg door het dorp maakten zij kort kennis met enkele leden van de Raad van Oudsten. Kaels blik bleef hangen op Oma Nettie, een vrouw wier hoge leeftijd een schat aan mogelijke kennis beloofde. Niet lang daarna bereikten zij Niavara’s huis, maar de druïde was nergens te bekennen. Terwijl zij haar naam riepen, begon een laag, trillend geluid de lucht te vullen. De vibratie trok door hun lichamen. Hoog boven het dorp werd de koepel plotseling zichtbaar en begon te haperen. Een ontploffing in de verte, gevolgd door een gil, zette hen in beweging.

In het bos vonden zij Niavara, gewond en verzwakt, steunend op haar elleboog. Kleine sneden tekenden haar gezicht en armen. Een stekelige woekering die zij Naaldpest noemde had zich aan de zuidelijke koepelmonoliet vastgezet; de daaropvolgende ontlading had haar weggeslingerd. Eerst sprak Niavara alleen over een zalf die niet sterk genoeg was geweest. Eun-Jae onderbrak haar met een kalme maar scherpe eis tot eerlijkheid. Na een stilte gaf zij toe dat alleen hars van een oeroude den diep in het bos de zalf krachtig genoeg kon maken. Zelf vermeed zij die plek vanwege een oude, pijnlijke band met de boswachter van het gebied: Thalanor.

Terug bij haar huis trof Niavara voorbereidingen terwijl de groep het terrein verkende. Sollorva volgde haar naar binnen en kreeg een blik op haar eenvoudige, natuurlijke leven. Eun-Jae ontdekte een rituele cirkel en een grote uil hoog in een boom. Godwin vond ondertussen een dagboek, geschreven in de geheime taal van druïden, en nam het zonder veel aarzeling mee. Buiten hielp Niavara Sollorva met de uil te spreken. Het dier bleek een wachter van Mielikki, een goddelijk wezen dat al generaties over deze plek waakte. Volgens de uil waren Niavara’s bedoelingen zuiver, ook al maakte zij fouten.

Godwin zorgde ervoor dat er een duidelijke beloning werd afgesproken. Er werd zelfs gesproken over een gezamenlijk huis, een idee dat Sollorva zichtbaar ongemakkelijk maakte. Niavara waarschuwde hen Thalanor met respect te benaderen, maar Godwin vond het nodig te laten merken dat hij niet bang was. Toen Sollorva grapte dat iemand hem stil moest krijgen, nam Niavara haar iets te letterlijk. Met één spreuk veranderde zij Godwin in een mestkever.

Dieper het bos in

Na een uur door het Dennenhartse bos keerde een woedende Godwin op ongemakkelijke wijze terug naar zijn normale vorm. Dieper tussen de bomen stuitte de groep op een klein hutje dat half in een heuvel was gebouwd. Na Godwins klop klonken zware voetstappen en gerommel. De deur ging op een kier open en onthulde het gezicht van een enorme ogervrouw. Haar scherpe ogen namen de groep zwijgend op. Toen sloot ze de deur weer.

Enkele minuten later keerde zij terug met een zorgvuldig samengestelde plank vol vlees, kaas en andere hapjes. In haar kleine, donkere woning stelde ze zich voor als Rosalia. Ze beschreef Thalanor als streng, maar met een goed hart, en gaf met enige verlegenheid toe dat ze ooit verliefd op hem was geweest. Bij het afscheid gaf ze de groep één boodschap mee: “Als jullie hem ontmoeten, doe hem dan de groeten van Rosalia.”

Later bereikten ze een groter, verlaten huis met een brede veranda, ooit bewoond maar nu langzaam door de natuur teruggenomen. Binnen lag alles stil en onaangeroerd, alsof de tijd er was gestopt. Alleen een oud bericht vermeldde dat Thalanor naar het midden van de Groene Putten was verhuisd. De groep besloot er te overnachten. Midden in de nacht schrok Eun-Jae wakker van een krassend geluid. Sollorva sprong naar buiten en slingerde een vlam naar de bron, die niets meer bleek te zijn dan een doodsbange bever op zoek naar hout. Het dier vluchtte piepend weg. Opluchting, schaamte en irritatie bleven achter.

De Groene Putten

De volgende dag leidde hun pad hen naar de rand van de Groene Putten, waar het bos abrupt eindigde in een enorme krater van honderden meters breed die zich tientallen meters naar beneden uitstrekte. Dikke wortels kronkelden langs de randen en verdwenen in een dichte mist die de bodem volledig verborg. Daar, tussen wortels zo dik als muren en mist die de grond bedekte, voelde Sollorva de ware aard van de plek. Dit was geen bos, maar een levend netwerk, één entiteit met een kern diep in het hart van de aarde. Kael daalde als eerste af, soepel en gecontroleerd, maar voor de anderen bleek de afdaling verraderlijker dan verwacht. De helling werd steiler, hun grip gaf het op, en binnen enkele momenten maakten Sollorva, Godwin en Eun-Jae een harde val naar beneden. Vooral Eun-Jae werd zwaar getroffen en lag een moment roerloos, tot Godwin zonder aarzeling zijn handen op hem legde en goddelijke energie door hem heen liet stromen, zijn lichaam herstellend en hem terugbrengend van de rand van bewusteloosheid.

Uiteindelijk brak de mist open en stapten ze een stille open plek binnen waar geen wind leek te waaien. In het midden stond een boom, veel groter dan alle andere, met een brede, verweerde stam en takken die zwaar waren van leeftijd en mos. De groep vertraagde vanzelf. Toen begon de bast van de boom met een diep, krakend geluid, dat door de grond leek te resoneren, te splijten. Twee enorme, amberkleurige ogen openden zich in het hout en richtten zich op hen, terwijl een zware, trage stem luid en onontkoombaar door de hele put dreunde.

“Welkom, reizigers.”


Vorige · Verder lezen