Hoofdstuk 7 — Kaal Kervel gaat kopje onder

Vorige · Verder lezen

Deel II — Mistvoorde en Pakhuis 12B

Mistvoorde rekent af

Met de informatie uit de Ravenburgse tas in hun geheugen gegrift, verlieten de groepsleden de zwarte tent. Ravenburg onderzocht de paarse ontladingen zelf en was dus waarschijnlijk niet de oorzaak van de falende koepel. Wel wilde het rijk versterkingen en tijdelijke meetkampen naar het Dennenhartse bos sturen. Op hun kaart lag de grootste magische afwijking gevaarlijk dicht bij Wilgenbroek. Mira hield de tas en was vastbesloten haar de volgende ochtend alsnog te verkopen.

Na de lange dag voelde de groep vooral de behoefte aan iets simpels: eten, drinken en slaap. De avond in Mistvoorde had al genoeg tanden laten zien, en De Scheve Ton voelde inmiddels als de enige plek in de stad waar ze niet voortdurend over hun schouder hoefden te kijken. Maar nog voordat ze werkelijk binnen waren, merkte Sollorva commotie bij de stallen, achter de herberg. Toen de groep de straat inliep, klonk er achter hen een scherp fluitsignaal. Drie mannen schoten weg uit de richting van de stal, en verderop stond een bekend gezicht hen met een brede, wraakzuchtige grijns op te wachten.

Het was Kaal Kervel, de gids die eerder al twee keer door Godwin was geïntimideerd. Deze keer stond hij niet te trillen of te onderhandelen, maar genoot hij duidelijk van het feit dat hij eindelijk iets terug had kunnen doen. “Mooi beest heb je,” riep hij naar Godwin. “Miste alleen nog een beetje persoonlijkheid, dus ik heb je geholpen.” Daarna verdween hij met zijn mannen aan het eind van de straat om de hoek.

Godwin stormde onmiddellijk naar de stal, gevolgd door de rest van de groep. Iedereen controleerde snel zijn eigen dier, maar het werd al gauw duidelijk voor wie de boodschap bedoeld was. In de vacht van El Torro, Godwins trotse stier, had iemand een enorme lul geschoren. Een paar tellen lang hing er alleen stilte in de stal, het soort stilte waarin niemand precies weet of lachen veilig is. Godwin draaide zich om en rende woedend naar buiten, klaar om Kaal Kervel door half Mistvoorde heen te achtervolgen. Maar halverwege de straat keek hij achterom en zag hoe de rest van de groep langzaam, uitgeput en met moeite hun gegiechel inhoudend terugliep naar de herberg. Hoe groot zijn woede ook was, zelfs Godwin moest toegeven dat dit misschien niet het moment was om de hele nacht achter een gids aan te rennen. Met tegenzin keerde hij terug.

Binnen in De Scheve Ton werd de groep ontvangen door Brom Kletsmaag, die hen één blik gaf en meteen zag dat Mistvoorde zijn werk had gedaan. “Sow hey… kijk jullie nou,” zei hij. “Eerste dag in Mistvoorde en jullie zien eruit alsof de stad jullie al heeft uitgekauwd en terug op straat heeft gespuugd.” Zijn grijns zakte iets weg toen zijn blik op Eun-Jae viel, op de diepe wonden die De Oogmoeder had achtergelaten. “Vooral jij. Dat is geen normale kroegruzie. Wat hebben jullie uitgespookt vanavond?” Hij wees met zijn kin naar een tafel en liet eten, drinken en iets sterkers komen.

Terwijl de groep eindelijk zat, kwam het verhaal van de avond los. De kinderen onder de pier, de gestolen tas, Kael die dertig goud te veel had geboden, de achtervolger, de ontmoeting met Maua Raukoro, en uiteindelijk ook het tragische lot van Godwins stier. Brom luisterde aandachtig en lachte waar hij lachen kon. Toen de groep vertelde over de geschoren belediging en de gids, wist hij meteen wie erachter zat. Kaal Kervel was meestal te vinden bij de Modderkade, vertelde Brom, waar hij nieuwkomers aansprak en probeerde uit te melken. Ook wist hij te vertellen dat Kaal ergens in de wijk woonde die tegen de muur van de Hoge Huizen aan lag. Daarmee ontstond vanzelf een plan voor de volgende dag: eerst richting de Modderkade om Kaal te zoeken, en daarna misschien verder naar De Hoge Huizen, waar Ravenburg al langer hun aandacht trok.

Die nacht sliep niemand echt makkelijk. Kael probeerde in meditatie de stilte op te zoeken en de vertrouwde stem te vinden die hem vaker had begeleid, maar Mistvoorde was geen plek die stilte zomaar toeliet. De stad kraakte, riep, dronk, vocht en handelde door, zelfs diep in de nacht. Sollorva voelde zich nog minder thuis. De stad rook naar modder, zweet, rook, bier, handel en industrie, en de natuur die haar normaal droeg, voelde hier ver weg. Dus ze koos ervoor niet in de herberg te slapen, maar in de stal bij Seraphine haar Friese paard, dichter bij dieren, stro en openlucht dan bij muren vol dronken stemmen. Eun-Jae viel door vermoeidheid en ouderdom verrassend snel in slaap, al schrok hij nog even wakker toen hij vlak voor het in slaap vallen het vieze gegiechel van De Oogmoeder in de achtergrond van zijn gedachte hoorde. Godwin lag ondertussen wakker met maar één beeld voor zich: El Torro, machtig en gehoornd, maar nu met een obscene vorm in zijn vacht geschoren. Heel even vroeg hij zich af of zijn eed van wraak aan Kelemvor misschien ook op dit vergrijp van toepassing was. Zelfs hij voelde dat dit mogelijk een stap te ver ging.

De volgende ochtend

Kael zat al vroeg beneden in De Scheve Ton met thee, luisterend naar muzikanten met een banjo en kleine trommels. Eun-Jae was nauwelijks wakker of hij zat alweer aan zijn elfde koffie. Godwin begon de dag zoals alleen Godwin dat kon: met bier. Toen iedereen klaar was, haalden ze Sollorva op bij de stallen en vertrokken ze naar de Modderkade om Kaal Kervel te zoeken.

Onderweg kwamen ze langs De Drijvende Markt, waar de verleiding van kraampjes, bootjes en vreemde koopwaar sterker bleek dan hun oorspronkelijke doel. Eun-Jae ging op zoek naar een helend drankje en vond er een bij een vrouw die haar eigen zalfjes, drankjes en brouwsels maakte. Godwin hoopte op sterke magische wapens of uitrusting, maar moest accepteren dat zulke spullen niet zomaar openlijk verkocht werden op een markt vol modder en touwen. Wel vond hij een kleiner magisch voorwerp: een amulet van tweede adem, dat hem ooit in een zwaar gevecht net dat beetje extra leven kon geven. Hij probeerde nog af te dingen op de prijs, die hoger was dan wat hij bezat, maar liep uiteindelijk toch met het amulet weg… en een lege beurs.

Sollorva had sinds de ontmoeting met De Oogmoeder een glazen bol in haar hoofd, iets waarmee ze misschien zelf kon kijken zonder gezien te worden. Een echte glazen bol vond ze niet, maar na wat rondvragen kwam ze terecht bij een oud halfling mannetje genaamd Pietertje, die een verzameling kleine, vreemde hebbedingetjes verkocht. Hij bood haar een glazen knikker aan waarmee ze tien minuten lang op iemand kon spieken, al was er een kans dat die persoon het effect kon weerstaan. De prijs klonk hoog voor iets dat misschien werkte en misschien niet. Sollorva liet een roos uit haar hand groeien en gaf die aan het oude opaatje, wat hem zichtbaar raakte en haar een kleine korting opleverde. Toch vond ze het nog steeds te duur en probeerde ze hem daarna wijs te maken dat ze een heks was die zijn leven tot een hel kon maken als hij haar geen betere prijs gaf. Pietertje had echter in zijn leven in Mistvoorde genoeg mensen gezien die groter praatten dan ze waren, en trapte er niet in. Uiteindelijk liet de groep de knikker liggen en namen ze afscheid.

Toen ze bij de Modderkade aankwamen, zagen ze Kaal niet. De kade leefde zoals altijd: boten kwamen aan, kisten werden gelost, mensen riepen door elkaar heen en kinderen bewogen subtiel door de menigte. Iets verderop stonden twee kinderen op de hoek van de straat alles in de gaten te houden. Kael en Sollorva stapten erop af en herkenden Mira van de vorige avond. Kael probeerde opnieuw een band met haar op te bouwen en vroeg naar Kaal. Mira vertelde dat hij meestal pas in de middag of avond bij de Modderkade te vinden was. Ze waren hem waarschijnlijk gewoon te vroeg.

Het gesprek verschoof kort naar Ravenburg. Mira vertrouwde de groep nog steeds niet volledig, dat maakte ze duidelijk genoeg, maar Ravenburg vertrouwde ze nog minder. De soldaten waren met meer dan eerst in de stad, ze zochten naar dingen, vroegen naar dingen en gedroegen zich alsof ze zichzelf steeds belangrijker achtten. Voor een kind als Mira, dat overleefde door precies te weten waar kansen waren en wie gevaarlijk was, voelde dat niet goed.

De Hoge Huizen

Omdat Kaal nog niet bij de Modderkade was, ging de groep verder naar De Hoge Huizen en de wijk waar hij mogelijk woonde. Ze passeerden opnieuw de man die nog altijd bebloed aan de schandpaal vastzat. Mistvoorde had geen haast met genade. Bij de bewaakte toegang van De Hoge Huizen hielden twee Ravenburgse soldaten hen tegen en vroegen naar een pakbon, factuur of afspraak. De groep had geen van drieën, maar Sollorva redde het moment. Ze beweerde dat ze namens Brom Kletsmaag een bestelling kwamen ophalen en de pakbon onderweg waren kwijtgeraakt. De soldaat geloofde haar en haalde Vrouwe Marra erbij.

Toen Vrouwe Marra verscheen, hield Sollorva de leugen vol. Ze vertelde dat er nog een levering voor Brom klaarstond, en tot ieders verrassing bleek dat waar te zijn. In Marra’s administratie stond inderdaad een krat elvenwijn voor De Scheve Ton. Marra begeleidde de groep naar de loods, waar ze moesten wachten terwijl de krat werd klaargezet. Daar, tussen pakhuizen, werkers en strak bewaakte voorraadlijnen, viel hun oog op een groot gebouw in de verte dat veel zwaarder werd bewaakt dan de rest. Ravenburgse soldaten stonden bij de ingang, de ramen op de benedenverdieping waren getralied en de bovenramen waren afgesloten met houten luiken. Dit leek geen gewoon pakhuis.

Toen de groep vragen begon te stellen, werd Marra meteen terughoudend. Ze vertelde dat ze de privacy van klanten hoog had zitten, informatie in Mistvoorde veel geld kostte, en maakte duidelijk dat het beter was als ze hun krat meenamen en van haar terrein verdwenen. Kael koos toen voor een brutalere aanpak. Hij vroeg wie zij wel niet dacht dat ze was om zo tegen hen te praten, en vooral tegen een monnik van Het Stille Zuster Klooster. Dat liet Marra niet koud. Ze keek hem van top tot teen aan, zichtbaar verrast dat iemand van het klooster hier in Mistvoorde zou staan. Toen Kael vroeg of ze het klooster kende, vertelde ze dat haar familie daar wel vaker kwam voor advies, of beter gezegd, voor informatie.

Toen de groep naar haar familie vroeg, noemde ze haar volledige naam: Vrouwe Marra Veyndor.

De stilte die daarop viel, duurde net iets te lang. Eun-Jae stond plotseling niet alleen tegenover een zakenvrouw uit Mistvoorde, maar tegenover iemand uit de familie die hij jaren geleden had afgezworen. De rest van de groep legde het verband eerder dan hij comfortabel vond. Eun-Jae bleef op de achtergrond terwijl de anderen voorzichtig doorvroegen. Uiteindelijk vertelde Sollorva dat ze ooit iemand was tegengekomen die Eun-Jae heette en vroeg of Marra die naam kende. Marra zei dat ze wel had gehoord van het zwarte schaap van de familie, dat niet begreep hoe het er in de familie aan toeging. Terwijl ze sprak, gleden haar ogen heel even naar Eun-Jae. De groep nam de krat elvenwijn mee en vertrok, maar bij het afscheid bleven Marra’s ogen opnieuw iets te lang op Eun-Jae hangen. Uiteindelijk bleef het onduidelijk of ze hem herkende of iets vermoedde.

De vrouw in de schaduw

Na deze ongemakkelijke ontmoeting splitste de groep zich op. Kael en Sollorva brachten de krat terug naar Brom, terwijl Godwin en Eun-Jae verder zochten naar Kaal Kervel. Zij vonden hem op een pier bij de Modderkade, in gesprek met twee mannen. Godwin bewoog verrassend stil door de menigte, tot hij dichtbij genoeg was om op Kaal af te stormen. Kaal deinsde achteruit en wees naar hem. “Dat is hem!” riep hij. De twee mannen plaatsten zich onmiddellijk tussen hen in.

Eun-Jae hield de situatie rustig. Hij legde uit dat ze niet kwamen om opnieuw heisa te schoppen. Wat er met El Torro was gebeurd, was blijkbaar hun rekening met Kaal en nu stond iedereen quitte, ze wilden alleen informatie. Ze vroegen naar de persoon die hen had achtervolgd en ontsnapt was. Kaal vertelde dat, als zij die achtervolger niet te pakken hadden kunnen krijgen, het waarschijnlijk iemand was die beter getraind was dan de gewone huurlingen van De Onderkade. Toen Eun-Jae de figuur beschreef, keek Kaal ineens over Eun-Jae’s schouder. “Als ik niet in toeval geloofde,” zei hij, “staat er verderop iemand met precies die beschrijving.”

Eun-Jae reageerde subtiel. Hij riep een kleine feegeest op in de vorm van een vogel en liet die op de uitkijk gaan zitten. Via de ogen van het wezen probeerde hij een beter beeld te krijgen, maar door de drukte van de Modderkade was het lastig. Toch zag hij genoeg: een vrouwelijk figuur in donkere kleding, lichtgrijs haar dat onder een muts vandaan kwam, riemen met kleine gereedschappen en dolken aan haar heupen. Hij en Godwin maakten snel een plan.

Eun-Jae rende plotseling richting de achtervolger, die even niet oplette. Godwin gebruikte de chaos op zijn eigen manier en duwde Kaal Kervel de pier in. De twee beschermers aarzelden, gevangen tussen hun klant uit het water helpen of achter Godwin aan gaan, tot Kaal hen luid om hulp riep. Daardoor kregen Godwin en Eun-Jae ruimte om de achtervolger te volgen. Toen Eun-Jae dichtbij genoeg was, gebruikte hij de staf van amberhars. Magische wortels groeiden uit de houten planken van de steiger en grepen de vrouw bij haar benen. Ze probeerde los te komen, maar de wortels hielden vast. Uiteindelijk liet ze haar schouders zakken en zuchtte: “Oké, oké… Je hebt me.”

Ze draaide zich om en liet haar muts zakken. Voor Eun-Jae stond geen huurling of willekeurige schaduw uit Mistvoorde. Voor hem stond Vesper Ordis, zijn mentor van De Ondergrondse Raad van het Licht. Ze was een halfelfse spionne, scherp en beheerst, en duidelijk niet bijzonder schuldbewust dat ze hem had gevolgd. Toen Eun-Jae vroeg waarom ze hem niet gewoon had aangesproken, antwoordde ze dat mensen die informatie zochten zelden merken wie er achter hen loopt en informatie over hen opdoet. Bovendien wilde ze zijn nieuwe vrienden eerst zien. Hij reisde, zei ze, met een man die problemen met zijn hoorns oplost, een vrouw die liever vogel dan mens is, en iemand die vriendelijk genoeg klinkt om gevaarlijk te zijn. Daarna vroeg ze waar het werkelijk om ging: “Vertrouw je ze?”

Eun-Jae antwoordde dat hij op dit moment niemand vertrouwde behalve de groep waarmee hij reisde. Zij zaten allemaal in dezelfde storm, ieder op hun eigen manier naar Wilgenbroek gestuurd of getrokken, en ondanks alles stonden ze voor elkaar klaar. Vesper accepteerde dat antwoord, al bleef voorzichtigheid in haar houding zichtbaar. Toen Eun-Jae over de brieven en de nieuwe informatie wilde spreken, stelde Vesper voor om een rustigere plek op te zoeken. Eun-Jae liep daarom met haar en Godwin naar De Scheve Ton, zodat ze de rest van de groep kon ontmoeten.

In de tussentijd waren Kael en Sollorva met de krat elvenwijn terug bij Brom. Hij was oprecht verbaasd dat de groep uit zichzelf een klus voor hem had gedaan. In Mistvoorde was onbaatzuchtigheid zo zeldzaam dat het bijna verdacht werd. Sollorva vertelde over De Hoge Huizen en over Vrouwe Marra Veyndor. Brom vertelde dat Marra een sterke zakenvrouw met een redelijk goede reputatie was, strikt maar succesvol en niet te schadelijk voor de stad. Hij begreep alleen niet zo goed waarom ze zich de laatste tijd zo diep met Ravenburg had ingelaten. Nadat Brom goed had nagedacht, zag hij bovendien dat hij en de groep nuttig voor elkaar konden zijn. Met wat aansturing van Sollorva stelde hij een nieuwe afspraak voor: als zij kleine klusjes voor hem deden, zou hij hen in ruil voorzien van onderdak en informatie, zoals roddels in de herberg en de dagelijkse fluisteringen van Mistvoorde.

Pakhuis 12B

Toen Eun-Jae en Godwin met Vesper terugkeerden in De Scheve Ton, werd de groep aan haar voorgesteld. Daarna kwam alles op tafel: Vespers brief, de toegenomen aanwezigheid van Ravenburg, het onderzoeksschip, de documenten uit de tas, Vrouwe Marra en het zwaar bewaakte pakhuis in De Hoge Huizen. Vesper wist niet wat Ravenburg daar precies deed of bewaarde, maar ze had iets gehoord dat ermee verband kon houden. De volgende ochtend zou een uiterst waardevolle lading uit Pakhuis 12B naar de Modderkade worden vervoerd, op het Ravenburgse schip geladen en via de rivierhaven naar Ravens Piek worden gebracht.

Daarmee verschoof het gesprek van onderzoek naar actie en naar een plan. De groep wilde weten wat Ravenburg in dat pakhuis bewaarde. Misschien was het een wapen, een magisch object of een bron van informatie. Er werd gesproken over een infiltratiepoging, vervalste pakbonnen, verstoppen in lege vaten of kisten en een kar die zogenaamd een levering kwam brengen. Vesper was bereid om de documenten te vervalsen, zodat de groep Pakhuis 12B op deze manier binnen kon komen. Eenmaal binnen konden ze informatie verzamelen, de lading proberen te stelen of verstopt blijven, zodat ze als verstekelingen op het schip de achtdaagse tocht naar de Ravenburgse rivierhaven konden maken en daarna over land richting Ravens Piek konden reizen om onderweg meer informatie op te doen.

Zo eindigde de dag niet met rust, maar met een plan dat veel groter was dan waar de ochtend mee begon. De groep was Mistvoorde binnengekomen om geruchten te vinden, maar stond nu op het punt een Ravenburgse operatie binnen te dringen. Godwin had opnieuw iemand in het water geduwd. Marra Veyndor had Eun-Jae’s verleden opengetrokken. Vesper Ordis had de schaduw van De Ondergrondse Raad van het Licht naar De Scheve Ton gebracht. En ergens achter de bewaakte deuren van Pakhuis 12B lag iets dat Ravenburg belangrijk genoeg vond om onder beveiliging naar Ravens Piek te sturen.


Vorige · Verder lezen